Op een camping aan het Veersemeer
Komt een ietwat stugge campingbaas
Uit zijn huis te voorschijn
Achter de balie rondom inschrijfformaliteiten
Blijken zijn diepblauwe ogen
Opvallend vaak een derde spreker in ons gesprek
Pratend over
Het campingbazenschap
Het boerzijn dat hij ook nog is
Mijn plompverloren constatering
Dat dit een mooi baantje lijkt
Zijn blauwe ogen worden dieper blauw
En uit zijn mond de woorden:
“Het is anders keihard werken”
Die woorden waren niet eens nodig
Zijn ogen zeiden alles al
Mijn haastig zeggen
Dat mijn vraag
Allerminst denigrerend was bedoeld
De kleur weer terug
Naar het eerste blauw
Even later uit het niets
In het gesprek
Zijn uitkijktoren op de camping
Die hij regelmatig
Rond de klok van 5:00 beklimt
Gelijktijdig noemen dat dat moment
Het wakker worden van de wereld
In zich draagt
Hij laat me delen
In wat hij op die ochtend
Vanuit zijn uitkijktoren
Had gezien
Op zijn telefoon een springend vosje
Ik kijk hem aan
En zie de zachtste blauwe ogen
Die ik in mijn leven zag
