Hondie Snor en Dan de Ridder wandelen een stukje in de haven van Texel. Ze zijn in afwachting van het opkomend tij waarmee ze halverwege de middag naar de vaste wal willen varen. Aan de waterkant is een groot zeilschip bezig met aanleggen. ‘Handig toch hoe die schippers van oude schepen dat kunnen’ zegt Dan. ‘Geen boeg- of hekschroef nodig. Ze maken gebruik van de wind. Kijk maar: met het roer dwars en de schroef een beetje in de achteruit zie je dat het schip met wat geduld rustig tegen de kant komt’. Dan laat zijn zwaard even in het zonlicht blikkeren. Dat is een teken waarmee hij zegt dat hij iets goed vindt gaan. ‘Zo, jij bent scheutig met complimenten vandaag Dannetje mijn vriend, waar hebben we dat toch aan verdiend?’ Hondie lacht terwijl hij deze vraagt stelt en draait de punten van zijn snor een beetje naar boven. Hij houdt per slot van rekening van rijmen. Als er als vanzelf een rijmpje uit zijn mond rolt is hij altijd in zijn sas. ‘Nou nergens perse aan Hondie. Ik ben gewoon in opperbest humeur vandaag’. Dan laat zijn zwaard weer blikkeren. Voor hij verder iets kan zeggen wijst Hondie: ‘kijk Dan, we kunnen ook zeehonden gaan spotten. Hier geven ze 100% zeehondenspotgarantie. A toe Dannetje, wat vind je van mijn plannetje?’ Dan wrijft wat over zijn ribbelhelm. ‘Eh Hondie, ik wil geen roet in jouw plannetje gooien, maar zeehonden moeten zoveel mogelijk met rust gelaten worden. Al die toeristenboten met zeehonden spotters maken met hun motoren de onderwaterwereld kapot. Daar leven beestjes en plantjes die veel vissen lekker vinden. Je raadt het al: zeehonden eten vis. Als de vis niet meer kan eten gaan de zeehonden dood. Ook is het zo dat zeehondenbaby’s in de war raken van het onderwater geluid van motoren waardoor ze hun moeder kwijt kunnen raken’. ‘Sjongejonge’, zegt Hondie, ‘wat erg. Dat wist ik niet’. Even is het stil. Hondie denkt aan die arme vissen, planten en diertjes. Hij denkt aan die arme zeehondenbaby’s en voelt een steek in zijn hart. Zoveel zeehonden verdriet wil hij niet op zijn geweten hebben. Terwijl hij er zo over nadenkt zakt zijn snor verdrietig uit de eerder opgedraaide plooi. ‘Zeg Hondie’ hoort hij Dan opeens zeggen. ‘Ik ben toch degene met het gepieker. Nu lijk jij de klos. Je snor hangt naar bedenen en je fronst zo ernstig. Kom eens hier dikke vriend, zulk gepieker is echt niet nodig’. Hij trekt Hondie even stevig tegen zich aan. Hondie voelt zijn somberheid optrekken bij de knuffel van Dan. ‘Je hebt gelijk Dan. De zon schijnt en ik ben op vakantie met mijn beste vriend. Dat is juist om blij om te zijn’ zegt hij tegen Dan. ‘Ik bedenk gewoon een ander plan. ‘Laat de zeehondenhonderdprocentspotgarantie maat zitten Dannetje. Ik heb een beter plannetje: we gaan een taartje eten, gewoon omdat het kan, daar hou jij toch zo van Dan?die vind jij toch jammie de bammie?’. ‘Ja inderdaad Hondie!’ roept Dan blij. ‘Ik dacht dat je nooit zou voorstellen. Ik vind taartjes echt zo lekker’. Terwijl hij dit roept neemt hij al een spurt richting het dorp. Hondie rent zijn beste vriend gauw achterna. Richting de bakker op de hoek van de winkelstraat met een etalage met allerlei soorten taart.